SHM-data in onderzoek

Oliver Ratmann.jpgDr Oliver Ratmann is een epidemioloog die virale moleculaire genetische data in zijn werk gebruikt om het kwantitatieve begrip van de epidemiologie van infectieziekten te verbeteren. Recent onderzoek van Oliver, dat hij deed met de evolutionaire groep voor epidemiologie-onderzoek van prof. Christophe Fraser bij Imperial College Londen, richt zich op de moleculaire epidemiologie van HIV onder mannen die seks hebben met mannen (MSM) in West-Europa, met name in Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Hiervoor werkt hij samen met verschillende groepen, waaronder met onderzoekers van Stichting HIV Monitoring (SHM). Deze samenwerking met SHM heeft recent geleid tot een publicatie in Science Translational Medicine. Hiervoor hebben Oliver en zijn collega’s geanonimiseerde HIV-1 sequentiedata gecombineerd met klinische patiëntendata om specifieke transmissies onder MSM te karakteriseren en vervolgens het effect van preventieprogramma’s zoals PrEP en directe start van ART onder de Nederlandse MSM-populatie te modelleren.

Kan je ons vertellen over de achtergrond van je onderzoeken en de issues rondom HIV-infecties onder MSM?
Hoewel antiretrovirale therapie geen genezing biedt voor HIV, dringt het de viruspopulatie in het lichaam terug. Met een gering aantal virusdeeltjes zijn geïnfecteerde individuen veel minder infectieus. Het is daardoor verassend dat, ondanks het hoge aantal patiënten dat met ART wordt behandeld in veel landen, het aantal nieuwe diagnoses onder MSM niet is verminderd. Daarbij testen MSM in Nederland zich vaker en komen sneller in zorg dan heteroseksuele mannen, wat duidt op minstens gelijkwaardige toegang tot en zelfs hogere betrokkenheid met HIV-preventie en -zorgdiensten. Het is daarom de vraag waar de nieuwe infecties onder MSM vandaan komen.

Verschillende internationale follow-up-studies met niet-geïnfecteerde MSM die onlangs besmet zijn, zoals de Amsterdam Cohort Studies, suggereren dat het grotere risicogedrag de enige meest waarschijnlijke verklaring voor de aanhoudende epidemie onder MSM sinds het gebruik van ART is. Dit gedrag is toegenomen ondanks verschillende nieuw-geïntroduceerde preventiemaatregelen gedurende deze periode, waaronder het uitdelen van gratis condooms, motiverende gespreksvoering, het geven van adviezen, en gratis en anonieme soa- en HIV-testen. Daarom zijn er verdere, innovatieve, preventiestrategieën nodig om het aantal nieuwe infecties terug te dringen.

Wat waren de belangrijkste bevindingen van je onderzoek?
Door gebruik te maken van de relatie tussen genetische sequenties van HIV-virussen die zijn verzameld onder patiënten om aan te duiden wie nu wie geïnfecteerd zou kunnen hebben, waren we in staat om ongeveer 600 eerdere HIV-transmissies die optraden onder MSM in Nederland te karakteriseren. Toen we deze transmissies evalueerden, zagen we dat er slechts weinig afkomstig waren van mannen die al met ART gestart waren, of die ‘lost to follow-up’ waren. Bijna de helft van alle transmissies was toe te wijzen aan mannen die toen onlangs geïnfecteerd waren (korter dan 12 maanden geleden). Deze transmissies zijn echter bijzonder uitdagend om te voorkomen en impliceren dat preventiemaatregelen richting niet-geïnfecteerde MSM moeten worden versterkt.

Om te bekijken welke maatregelen het meest effectief geweest zouden zijn in het voorkomen van de eerdere transmissies, voerden we hypothetische microsimulaties hierop uit. We zagen dat het verhogen van het aantal jaarlijkse tests en het gebruik van antiretroviralen bij niet-geïnfecteerde MSM, zoals pre-exposure prophylaxis (PrEP) voor seks, een belangrijke rol zouden kunnen spelen in een doorslaggevende daling in de HIV-epidemie onder MSM in Nederland.

Wat is de toegevoegde waarde van de data van SHM?
Door de genetische code van het virus te exploiteren kunnen we nu de bronnen van HIV-transmissie kwantificeren. In het hart van deze nieuwe aanpak ligt de integratie met andere typen data, van demografische data op individueel niveau tot vele laboratoriumtests en klinische tests. Deze combinatie van verschillende data, welke allemaal routinematig worden verzameld door SHM, zorgt ervoor dat de epidemiologische interpretatie van eerdere, gereconstrueerde transmissies mogelijk is.

Internationale consortia, zoals de Phylogenetics and Networks for Generaliserd HIV Epidemics in Africa (PANGEA-HIV), waardoor ik momenteel word gefinancierd, zijn van plan om deze technologie te gebruiken om effectieve HIV-preventiestrategieën te identificeren. Dit willen ze doen op basis van bewijs afkomstig van virale fylogenetische analyses.

Daarbij is, internationaal gezien, het aantal geïnfecteerde mannen en vrouwen in Nederland waarvan virale sequenties beschikbaar zijn in verhouding hoog. Het ATHENA-cohort geeft daarbij uitgebreide demografische en klinische data over bijna alle HIV-positieve mannen en vrouwen in Nederland, met uitzondering van de 1,5% die niet deelneemt. Al met al zijn deze geanonimiseerde data van SHM een heel waardevolle bron voor het onderbouwen van toekomstige wereldwijde HIV-preventiestrategieën. Verdere uitbreiding van de sequentieverzameling zou meer verfijnde analyses mogelijk kunnen maken, zoals een analyses van preventiestrategieën die zich richten op subgroepen binnen MSM of migranten.

Ik wil graag eindigen met het bedanken van alle patiënten uit de HIV-behandelcentra in Nederland voor hun deelname. Daarnaast gaat mijn dank ook uit naar alle bijdragers aan het ATENHA-cohort die deze studie mogelijk maken.