Eventreview: CROI 2016

CROI 2016.png

Het jaarlijkse congres Conference on Retroviruses and Opportunistic Infections (CROI) vond plaats van 22 tot en met 25 februari in Boston, USA. De nieuwe ontwikkelingen in antiretrovirale therapie (ART) waren veelbelovend, zowel op het gebied van preventie als voor het behandelen van HIV-infecties. De effectiviteit van ‘treatment as prevention’ en orale pre-exposure prophylaxis (PrEP) is eerder al bewezen. De onderzoeken die op CROI 2016 werden gepresenteerd hebben laten zien dat de focus nu is verschoven naar de werkzaamheid van PrEP en het ontwikkelen van andere vormen van PrEP, waaronder lang-werkende injecties en microbicide gels en ringen. Deze nieuwe vormen van het toedienen van medicijnen hebben de potentie om de therapietrouw te verbeteren, zowel op het gebied van preventie als bij de behandeling van HIV-infecties.

Stichting HIV Monitoring droeg ook haar steentje bij via een aantal nationale en internationale samenwerkingen. Bij de volgende posters waren SHM-onderzoekers Ard van Sighem  en Daniela Bezemer betrokken:

  • Ard van Sighem presenteerde namens Oliver Ratmann (zie hiervoor het interview eerder in deze nieuwsbrief) een poster over de leeftijdsdynamiek van nieuwe HIV-infecties onder Nederlandse mannen die seks hebben met mannen (MSM). De data lieten zien dat de stijgende leeftijd waarop de diagnose wordt gesteld onder MSM waarschijnlijk een consequentie is van een complexe transmissiedynamiek die met de leeftijd verandert. In het bijzonder zijn jonge mannen binnen de epidemie steeds meer aan elkaar gelinkt en ze infecteren relatief vaker oudere mannen dan voorheen. 
  • Daniela  Bezemer presenteerde een poster over de introductie van non-B HIV-subtypes in Nederland door de MSM-populatie. Haar onderzoek liet zien dat non-B HIV-subtypes nationale sub-epidemieën gevormd hebben met uitbrekingen van verschillende groottes.
  • Daarnaast presenteerde Joost Vanhommerig en Daniela Bezemer een poster naar aanleiding van een onderzoek naar de overlap tussen de HIV- en de hepatitis C-epidemieën onder MSM in Nederland, waarbij gebruik is gemaakt van een fylogenetische benadering. Het bleek dat HCV-infecties niet werden beperkt tot specifieke HIV-clusters, wat aantoont dat er geen specifieke clusters zijn met een verhoogd risico op een HCV-infectie. Wanneer er wel meerdere HCV-infecties voorkwamen binnen een HIV-cluster, kwam het weinig voor dat de HCV-fylogenie overeenkwam, zelfs onder de overeenstemmende HCV-genotypes. Volgens de auteurs kan een verklaring hiervoor zijn dat HCV verspreid wordt in andere MSM-netwerken dan de HIV-transmissienetwerken.

SHM heeft daarnaast ook bijgedragen aan Europese samenwerkingen, zoals:

Namens EuroSIDA in EUROCOORD:

  • Alvaro Borges gaf een presentatie waarin hij beschreef hoe zowel gastheerfactoren, HIV-specifieke factoren en comorbiditeiten bijdragen aan het risico  op breuken en osteonecrose. Gebruik van tenofovir, maar geen van de andere antiretrovirale medicijnen, bleek in het bijzonder een onafhankelijke risicofactor voor breuken. Daarentegen is er geen associatie gevonden tussen het gebruik van ARV’s en een risico op osteonecrose.
  • Anna Schultze presenteerde een poster waarop zij liet zien dat de snelheid waarmee de CD4-aantallen afnamen niet verschilde tussen ART-naïeve patiënten met en zonder overgedragen resistente HIV.
  • Leah Shepherd presenteerde daarnaast een poster waarop zij liet zien dat de incidentie van Hodgkin lymfoom en non-Hodgkin lymfoom in Europa aanzienlijk verschilt per regio. Dit zou een weerspiegeling kunnen zijn van de verschillen in langdurige virale suppressie als gevolg van toegang tot en beschikbaarheid van cART.

Namens de D:A:D-studiegroep:

  • Camilla Hatleberg nam deel aan de themadiscussie over de incidentie en risicofactoren van een beroerte. Zij vertelde daar dat een verhoogde bloeddruk, leeftijd en een laag CD4-aantal de belangrijkste voorspellers zijn voor zowel een hemorragische als een ischemische beroerte. Vergelijkbaar met de algemene bevolking, kan een verhoogde bloeddruk ook voor HIV-positieve individuen een sterkere voorspeller zijn voor een hemorragische beroerte dan voor een ischemische beroerte.  
  • Caroline Sabin presenteerde een poster over de associatie tussen het gebruik van abacavir en het risico op een terugkerend myocardinfarct. Onder D:A:D-participanten die te maken hebben gehad met een myocardinfarct (hoofdzakelijk mannen), is gezien dat er een verhoogd risico is op een terugkerend myocardinfarct. Dit lijkt echter grotendeels te worden verklaard doordat abacavir meer gebruikt wordt in de personen die in de eerdere jaren van de studie een myocardinfarct hebben gehad. 
  • Lene Ryom presenteerde daarnaast een poster over de associatie tussen de duur van ernstige immunosuppressie en chronische nierziekte. De relatieve duur van ernstige immunosuppresie was van groots belang in personen met een laag geschat risico op chronische nierziekte. Deze nieuwe data ondersteunen dat agressieve ART de immuunfunctie kan behouden/herstellen.

Namens IeDEA en COHERE in EuroCoord, presenteerde Eliane Rohner drie posters over de wereldwijde last en mortaliteit van kanker in HIV.

  • De eerste poster liet zien dat vrouwen in zuidelijk Afrika een hoger risico hebben op het Kaposi-sarcoom dan vrouwen in Europa, en dat dit niet wordt verklaard door HIV-gerelateerde risicofactoren. Daarentegen was het risico op het Kaposi-sarcoom onder mannen vergelijkbaar in verschillende regio’s, zelfs nadat er met HIV-gerelateerde risicofactoren rekening is gehouden. Dit patroon weerspiegelt waarschijnlijk verschillende humaan herpesvirus 8 (HHV-8) risicoprofielen: terwijl mannen in de meeste regio’s een hoog risico hebben op een HHV-8-infectie (MSM of inwoners van HHV-8 endemische regio’s), was de grootste risicofactor voor HHV-8-infecties in vrouwen het feit dat ze inwoner zijn van een endemische regio.  
  • De tweede poster rapporteerde dat HIV-positieve vrouwen in zuidelijk Afrika en Latijns-Amerika een aanmerkelijk hoger risico op invasieve baarmoederhalskanker hadden dan vrouwen uit Noord-Amerika en Europa. In zuidelijk Afrika werden de aantallen niet minder naarmate men langer ART gebruikte. Deze regionale verschillen zijn niet te verklaren door verschillen in CD4-aantallen, leeftijd of het jaar waarin gestart werd met ART, maar kunnen worden verklaard door een hogere prevalentie en incidentie van HPV-infecties en gelimiteerde toegang tot effectieve baarmoederhalskankerscreening. 
  • Als laatste laat de poster namens IeDEA-SA, COHERE in EuroCoord en TREAT Asia Pediatric HIV Obervational Database zien dat het risico op Kaposi-sarcoom substantieel is in HIV-positieve kinderen afkomstig uit sub-Sahara Afrika, ongeacht of ze in Afrika of Europa leven. Gezien de afwezigheid van maatregelen om een HHV-8-infectie te voorkomen, zou ART binnen afzienbare tijd moeten worden ingezet. Dit zou moeten gebeuren voordat het gevorderde HIV/AIDS-stadium bereikt is, om het risico op het Kaposi-sarcoom in deze kinderen te verminderen.