Focus op onderzoek: een recente publicatie met SHM-data in de spotlight

Journal of Infectious Diseases.gifIn een artikel dat is geaccepteerd voor publicatie in Journal of Infectious Diseases is data uit de database van Stichting HIV Monitoring gebruikt om de relatie tussen etniciteit en chronische nierziekte (CKD) onder HIV-geïnfecteerde individuen in Nederland te onderzoeken. Dit onderzoek, uitgevoerd door Annelot Schoffelen (Universitair Medisch Centrum Utrecht), is gebaseerd op informatie van patiënten uit het Nederlandse ATHENA cohort. Deze data gebruikte zij om te kunnen onderzoeken of de impact van etniciteit op het risico op de ontwikkeling van chronische nierziekte in HIV-geïnfecteerde patiënten is veranderd sinds het gebruik van combinatie antiretrovirale therapie (cART) beschikbaar is gesteld. Dr. Schoffelen legt hier meer uit over haar bevindingen en haar implicaties voor de behandeling van HIV-geïnfecteerde patiënten.

Kan je kort de belangrijkste bevindingen van je onderzoek beschrijven?
We hebben voor dit onderzoek gekeken naar alle patiënten in het ATHENA cohort vanaf januari 2007 tot februari 2013, waarbij de patiënten meegenomen zijn die van tevoren al bekend waren (en dus meestal al op cART) en degenen die daarna nieuw zijn geïncludeerd in het cohort (en dus grotendeels therapie-naïef). Het ging om 16.836 patiënten, met een mediane follow-up duur van 4,7 jaar. We hebben gekeken naar de prevalentie van chronische nierziekte (geschatte renale klaring <60 ml/min/1,73m2) op baseline (de eerste datum van creatinine-bepaling na 1 januari 2007) en de incidentie van chronische nierziekte bij die patiënten die op baseline een geschatte klaring boven de 60 ml/min/1,73m2 hadden. Uit de analyses, gecorrigeerd voor confounders, bleek dat de prevalentie van chronische nierziekte op baseline verhoogd is voor de patiënten afkomstig uit Sub-Sahara Afrika ten opzichte van patiënten uit West-Europa. Daarentegen was de incidentie van nieuw ontwikkelde chronische nierziekte tijdens follow-up gelijk voor HIV-geïnfecteerden van Afrikaanse afkomst en Westerse afkomst, ongeacht of ze wel of niet cART-naïef waren.

Wat is er nieuw in jouw studie?
Deze studie laat zien dat HIV-geïnfecteerde patiënten van Afrikaanse afkomst met een goede renale klaring op baseline geen verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van chronische nierziekte in de huidige cART era.  

In de beginjaren van de HIV-epidemie werd chronische nierziekte bij HIV-positieven grotendeels veroorzaakt door HIV-geassocieerde nefropathie, wat voornamelijk werd gezien bij patiënten van Afrikaanse afkomst. Bepaalde genetische varianties bij Afrikaanse patiënten verhoogden de kans op ontwikkeling hiervan. Sinds de introductie van cART is de incidentie van HIV-geassocieerde nefropathie beduidend afgenomen. In plaats daarvan zijn nieuwe oorzaken van chronische nierziekte meer op de voorgrond gekomen, zoals versnelde veroudering bij chronische HIV-infecties, toegenomen atherosclerose en toxiciteit van antiretrovirale medicatie.

De impact van etniciteit op een nierziekte zoals HIV-geassocieerde nefropathie is zichtbaar in de resultaten van onze prevalentie-analyse. Hieruit blijkt immers dat Afrikaanse patiënten die na 2007 in zorg komen, en dus grotendeels cART-naïef zijn, een verhoogde kans hebben op een gestoorde nierfunctie op baseline. Daarentegen lijkt genetische aanleg een minder grote rol te spelen bij de ‘nieuwe’ oorzaken van chronische nierziekten Dit is anders dan bij HIV-geassocieerde nefropathie, gezien de gelijke incidentie voor Afrikaanse en Westerse patiënten later tijdens follow-up.

Wat betekenen jouw resultaten voor de behandeling van HIV-geïnfecteerde individuen met chronische nierziekte?
De zorg voor HIV-geïnfecteerde patiënten met chronische nierziekte in een land als Nederland, zal door deze bevindingen niet direct veranderen. Bij iedereen vindt als het goed is regelmatige controle van de nierfunctie plaats en dat moet zeker zo doorgaan, ongeacht de afkomst van de patiënt. Daarentegen zijn deze bevindingen wel een eye-opener voor de manier waarop we naar de geïndividualiseerde HIV-zorg kijken. Veel factoren beïnvloeden de effectiviteit van de zorg voor HIV-patiënten, zoals sociaal-economische en culturele factoren, maar dus ook genetische kenmerken. HIV-behandelaren dienen zich bewust te zijn van de heterogeniteit van hun patiënten, onder andere op basis van afkomst.

Daarnaast is kennis over het beloop van HIV bij Afrikaanse patiënten natuurlijk eveneens van belang voor de HIV-zorg in Sub-Sahara Afrika zelf, waar het overgrote deel van de wereldwijde HIV-geïnfecteerde populatie woont. Ook daar is HIV intussen veranderd in een chronische ziekte, met alle gevolgen van dien.

Welke plannen heb je voor toekomstig onderzoek?
Het zou erg interessant zijn om het onderzoek naar langetermijncomplicaties bij Afrikaanse patiënten uit te breiden. Er vindt al veel onderzoek plaats naar deze problemen in Westerse onderzoekspopulaties. Ik ben geïnteresseerd in de verschillen tussen deze onderzoekspopulaties en de Afrikaanse subpopulatie. In Westerse landen zelf en in Sub-Sahara Afrika.

Behalve bij nierziekte, zijn er ook effecten van etniciteit te verwachten op de prevalentie en incidentie van (andere) cardiovasculaire ziekten bijvoorbeeld, of mogelijk ook wel op het ontstaan van maligniteiten, neurocognitieve ziekten enzovoort. Dergelijk onderzoek kan uitgevoerd worden in Nederland binnen het ATHENA cohort, maar ook onderzoek in Sub-Sahara Afrika is van belang. Voor mijn eigen promotie-onderzoek heb ik een cross-sectionele studie opgezet en uitgevoerd naar de prevalentie van cardiovasculaire risicofactoren en atherosclerose in een HIV-geïnfecteerde populatie in Zuid-Afrika. Er is nu op dezelfde locatie een prospectieve cohortstudie gestart, waarin zowel HIV-positieve als HIV-negatieve mensen worden vervolgd en waar onder andere wordt gekeken naar de prevalentie en incidentie van cardiovasculaire ziekten. Het zou erg interessant zijn om te kijken of je een dergelijke populatie zou kunnen vergelijken met de Nederlandse / Westerse HIV-populatie, en welke factoren van belang zijn bij het optreden van co-morbiditeit zoals chronische nierziekte, cardiovasculaire ziekten enzovoort.