Spotlight op onderzoek: virologisch falen onder adolecenten en jong volwassenen

Clinical Infectious Diseases.gifDe data van SHM worden gebruikt in talloze onderzoeken naar hiv. In de rubriek 'spotlight op onderzoek' lichten we een onderzoek uit waarin data van SHM zijn geïncludeerd en vragen we de auteurs naar hun uitkomsten. Deze keer spraken we Annouschka Weijsenfeld over haar onderzoek 'Virological and social outcomes of HIV-infected adolescents and young adults in the Netherlands before and after transition to adult care', dat is gepubliceerd bij Clinical Infectious Diseases. Bekijk hier het volledige artikel. 

Kan je kort de belangrijkste bevindingen van je onderzoek beschrijven?
Het doel van de studie was om de virologische uitkomsten van hiv-geïnfecteerde adolescenten en jong  volwassenen (tussen 12 en 24 jaar) die combinatie antiretrovirale therapie (cART) gebruiken over langere tijd te analyseren en potentiële voorspellende factoren voor virologisch falen aan te wijzen. Patiënten kwamen in aanmerking voor inclusie in de studie wanneer zij onder behandeling waren geweest in een Nederlands hiv-behandelcentrum voor kinderen en de overstap hadden gemaakt naar volwassenen hiv-zorg (transitie). In totaal werden 59 hiv-geïnfecteerde adolescenten en jong volwassenen geïncludeerd. In deze groep was de mediane leeftijd bij hiv-diagnose: 8 jaar (IQR 3-13), de mediane leeftijd bij de start van cART: 10 jaar (interquartile range [IQR] IQR 7-14) en de mediane follow-up tijd 10 jaar (IQR 8-12). De transitie naar volwassenenzorg vond plaats op een mediane leeftijd van 18,8 jaar (IQR 18-20).

Virologisch falen werd gedefinieerd als twee opeenvolgende viral load-metingen > 400 copies/ml bij patiënten die minimaal 6 maanden cART hadden gebruikt. In analyses bleek virologisch falen geassocieerd met de leeftijdscategorie 18 tot 20 jaar (odds ratio [OR]  4.26; 95% confidence interval [95% CI]  1.12-16.28, P=.03),  een laag opleidingsniveau (OR 3.32; CI 1.39-7.92, P=.007) en onvoldoende autonomie ten aanzien van de medicatie-inname op het moment van transitie (OR 6.98; CI 2.57- 18.5, P= < .001).

In totaal zijn 8 patiënten volledig uit zorg verdwenen tijdens de studieperiode. Dit gebeurde na gemiddeld 1,5 jaar (range 0-5 jaar) na transitie naar de volwassenenzorg. In deze groep was de kinderbescherming vaker betrokken tijdens de periode van hiv-zorg op de kinderafdeling in vergelijking met de groep die wel in zorg bleef na transitie (75% versus 29%; P= .02)

Wat is er nieuw in jouw studie?
Wij zijn, voor zover wij weten, de eersten die uitkomsten van hiv-geïnfecteerde adolescenten en jong volwassenen over een lange periode volgden, waarbij zowel data van het kinderbehandelcentrum, als data van volwassenenzorg  gebruikt werden.

In ons onderzoek tonen wij aan dat adolescenten en jong volwassenen een hoge kans  hebben op virologisch falen, met name tijdens de periode rond de transitie. Vaak wordt gedacht dat de transitie zelf (de overgang naar volwassenenzorg) een negatief effect op uitkomsten heeft. Wij laten zien dat niet deze verandering, maar de leeftijdsperiode waarin deze verandering plaatsvindt een grote rol speelt. De stijging in het aantal patiënten dat faalt begint namelijk al voor het transitiemoment.

Welke plannen heb je voor toekomstig onderzoek?
Dit onderzoek heeft vooral betrekking op perinataal met hiv geïnfecteerde adolescenten en jong volwassenen. Ook jong volwassenen ( 18-24 jaar)  die op een andere manier geïnfecteerd zijn geraakt zijn wereldwijd een kwetsbare groep, gezien het feit dat de ontwikkeling naar volwassenheid nog niet voltooid is. Deze groep wordt in onderzoek echter vaak samen met ‘oudere’ volwassenen beoordeeld.  Het is interessant om ook de uitkomsten van deze groep over langere tijd te bestuderen, zodat we in de toekomst wellicht gerichte aanpassingen kunnen maken om de zorg van deze kwetsbare groep te verhogen.