Begrippenlijst
Acute infectie
Een infectie die plotseling begint, met intense of ernstige symptomen, wordt acuut (of primair) genoemd. Als de ziekte langer dan enkele weken duurt, wordt deze chronisch genoemd.
Adherentie (therapietrouw)
Adherentie is de mate waarin de patiënt zich houdt aan de door de behandelend arts gegeven adviezen, bijvoorbeeld het aantal keren en aantal pillen dat de patiënt moet slikken, maar ook de mate waarin de patiënt andere voorschriften opvolgt, bijvoorbeeld het tijdstip van inname van medicijnen. Verminderde therapietrouw is de belangrijkste reden voor het falen van antiretrovirale therapie.
AIDS
Acquired immunodeficiency syndrome. De ziekte veroorzaakt door human immunodeficiency virus (HIV). AIDS wordt gekenmerkt door het falen van het immuunsysteem dat het lichaam beschermt tegen infecties en sommige vormen van kanker.
Antistof/ antilichaam
Een stof in het bloed die gevormd wordt om ziekteverwekkers als virussen, schimmelziektes, bacteriën en parasieten onschadelijk te maken. Antistoffen beschermen het lichaam tegen binnendringende ziekteverwekkers. Het HIV-antilichaam biedt deze bescherming echter niet of onvoldoende.
Antigeen
Een lichaamsvreemd eiwit dat het lichaam binnendringt en dan het doelwit wordt van antilichamen.
Antiretrovirale therapie
Een behandeling die de vermenigvuldiging van HIV remt en zo beschadiging van het afweersysteem kan voorkomen.
Antiviraal
Een stof die de reproductie van een virus stopt of onderdrukt.
ATHENA
AIDS Therapie Evaluatie in Nederland-project (ATHENA).
B-cel
Een witte bloedcel die verantwoordelijk is voor de aanmaak van antistoffen die ziekteverwekkers onschadelijk maken.
cART
Behandeling met een combinatie van antiretrovirale middelen (combined AntiRetroviral Treatment).
CD4 (T4) cel
CD4+ T-lymfocyt, ook wel T4-cel of T-helpercel genoemd. Een witte bloedcel (bloedlichaampje) die een cruciale rol speelt in het immuunsysteem en geïnfecteerd kan worden door HIV. In de loop van de HIV-infectie daalt het aantal CD4-cellen van een normale waarde (meer dan 500 per mm³) naar gevaarlijk lage aantallen (minder dan 200 CD4-cellen per mm3 bloed.)
CIb
Centrum Infectieziektebestrijding van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Nederland (www.rivm.nl/cib).
DAD Study
Data Collection on Adverse events of Anti-HIV Drugs: een internationale studie naar het optreden van bijwerkingen bij het gebruik van combinatie antiretrovirale therapie.
DNA
Deoxyribonucleic acid. Is de drager van genetische informatie. HIV kan zich in het DNA van de menselijke gastheercel vestigen en zo een “slapende” infectie veroorzaken.
GGD
Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (www.ggd.nl).
HAART
Highly Active Antiretroviral Therapy, ook wel combinatie antiretrovirale therapie (cART) genoemd.
Hepatitis B
Een virusinfectie (HBV) die de lever aantast en wordt overgedragen via bloedcontact of seksueel contact.
Hepatitis C
Een virusinfectie (HBC) die vooral wordt overgedragen via bloed en bloedproducten, zoals bij bloedtransfusie of intraveneus drugsgebruik, en soms door seksueel contact.
HIV
Human immunodeficiency virus, het virus dat AIDS kan veroorzaken. HIV valt het immuunsysteem aan en verwoest dit door de cellen binnen te dringen en te verwoesten die dit afweersysteem ondersteunen.
HIV-type 1 (HIV-1)
Het HIV-type dat wereldwijd verantwoordelijk is voor het grootste deel van de HIV-infecties.
HIV-type 2 (HIV-2)
Het virus dat sterk lijkt op HIV-1 maar vooral voorkomt in Afrika.
IGZ
Inspectie voor de gezondheidszorg (www.igz.nl).
Immuunsysteem
Het afweersysteem van het lichaam tegen lichaamsvreemde stoffen (antigenen).
Leukocyten
Witte bloedcellen.
MSM
Mannen die seks hebben met mannen.
Persoonsjaar
Een maat voor tijd, die in medische studies wordt gebruikt. Een persoonsjaar is de tijd van 1 jaar gedurende waarin een persoon heeft geleefd.
Retrovirus
Een groep virussen waartoe ook HIV behoort. Retrovirussen worden zo genoemd omdat zij hun genetisch materiaal opslaan in RNA in plaats van DNA en de RNA-informatie eerst wordt vertaald naar DNA alvorens de vermenigvuldiging van een retrovirus kan beginnen.
Reverse transcriptase
Na het besmetten van een cel gebruikt HIV een enzym (genaamd reverse transcriptase) om zijn RNA om te zetten in DNA in de gastheercel.
RIVM
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (www.rivm.nl).
Seroconversie
De omslag van afwezigheid van HIV-antilichamen in het bloed naar de aanwezigheid van deze antilichamen (van seronegatief naar seropositief).
Seroprevalentie
Het vóórkomen van een ziekte in een bepaalde populatie.
SHM
Stichting HIV Monitoring (www.hiv-monitoring.nl).
T4-cel
Zie CD4.
T4/T8-ratio’s
Het vóórkomen en de gecompliceerde actie van twee typen bloedcellen, waarvan de één normaliter het immuunsysteem onderdrukt en de andere cel doorgaans tussenbeide komt in de afweerreactie. Samen houden deze T-cellen het immuun- systeem in evenwicht.
UNAIDS
The Joint United Nations Programme on HIV/AIDS. Een programma van de Verenigde Naties dat de wereldwijde actie tegen HIV/AIDS coördineert (www.unaids.org).
Vaccin
Een stof die het afweersysteem van het lichaam stimuleert om een infectie te beheersen of te voorkomen.
Viral load
Het aantal virus deeltjes in bloed of sperma of hersenvocht.
VWS
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (www.rijksoverheid.nl).
WHO
Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, www.who.int).
